Historie

Wel en wee van smederij Van Raaij

In het centrum van het dorp Didam, tegenover de oude dorpskerk, (nu: Lieve Vrouweplein 10) was zeker al vanaf het midden van de achttiende eeuw smederij Van Raaij gevestigd. Een beknopt overzicht van de opvolgers van dit oude familiebedrijf tot eind negentiende eeuw is als volgt:

  • Derk van Raaij (overleden in 1803)
  • Hend van Raaij (1761-1834)
  • Toon van Raaij (1798-1871)
  • Hend van Raaij (1829-1891)

De laatst genoemde Hend van Raaij was de oudste zoon van Toon van Raaij en Garritje Menting. Hij hielp al op jonge leeftijd mee in de smederij. Hend trouwde in 1867 met Aleida Kaal en zij kregen zes kinderen. Vanaf het einde van de negentiende eeuw werd de smederij gerund door zijn zonen Jan en Toon. Zoon Hend jr. koos ervoor om landbouwer te worden. 

Muzikale broers 

De broers Jan, Toon en Hend jr. hielden van gezelligheid en waren bovendien erg muzikaal. Samen met hun zwager Martinus Raben van café ‘De Zwaan’ behoorden zij tot de elf personen, die in november 1894 Muziek- en Toneelvereniging ‘De Club’ hebben opgericht. Dit vond plaats in café Burgers, dat gelegen was naast de smederij van Van Raaij.

Jan van Raaij gaat alleen verder met de smederij 

Jan van Raaij runde vanaf het begin van de negentiende eeuw de smederij alleen. Broer Toon zocht zijn geluk in de horeca. Jan trouwde in 1896 met Anna Sophia Egging en uit dit huwelijk werd in 1898 dochter Truus geboren. Jan had dus geen directe opvolger om de smederij over te nemen. Truus trouwde in 1923 met bakker Hein Looman en bleef in de buurt van de smederij wonen (Lieve Vrouweplein 7). In 1929 liet Jan op de plek waar het voorhuis stond een dubbel woonhuis bouwen (nu: Lieve Vrouweplein 10 en 11). In de ene helft bleven Jan en Anna Sophia wonen. De andere helft werd verhuurd aan onderwijzer Jan Nuyen. 

Het gezin van Jan van Raaij ca. 1910. V.l.n.r.: Jan van Raaij, onbekend, dochter Truus en Anna Sophia Egging. (Collectie: Familie Looman) 

Jan van Raaij was een gemoedelijke man en een erg gezien figuur in het dorp Didam. Hij maakte - naast zijn werk in de smederij - veel tijd vrij voor nevenactiviteiten. Zo was hij een periode voorzitter van de Marktvereniging. Van 1919 tot zijn overlijden in 1934 was hij directeur van Muziek- en Toneelvereniging De Club en president van schutterij De Eendracht. De uitvaart van Jan van Raaij vond onder grote belangstelling plaats. In de editie van 20 april 1934 van de regionale krant De Graafschap-bode werd er ruim aandacht aan geschonken 

Toon van Raaij, smid en daarna restauranthouder en rijwielhersteller 

Toon van Raaij trouwde in 1899 met Anna Maria Egging, een zus van de echtgenote van zijn broer Jan. Zij gingen wonen in het nieuw gebouwde horecapand - een koffiehuis met stalling voor paarden - aan de Wilhelminastraat (nu: Wilhelminastraat 28). Dit koffiehuis kreeg later de naam ‘Het Wapen van Gelderland’ en stond rechts naast de oude smederij. Toon en Anna Maria kregen daar een dochter en vijf zonen, waaronder Puck (*1900) en Louis (*1905). 

Toon verkocht het horecabedrijf ca. 1910. eind 1917 aan Jan Kaal. Daarna werd hij rijwielhersteller in een deel van de smederij van zijn broer Jan. Vervolgens bouwde hij in 1920, naast de smederij, een nieuw woonwinkelpand (nu: Lieve Vrouweplein 8). Toon overleed in 1940, zijn echtgenote Anna Maria Egging in 1945. Het rijwielbedrijf werd toen al geruime tijd uitgeoefend door hun oudste zoon Puck. Hij was getrouwd met Maria Horsting en na haar overlijden in 1932 met Theodora Booltink. Uit het laatste huwelijk werd dochter Riet geboren. Puck overleed vrij plotseling in 1951. Omdat hij geen opvolger had, werd het rijwielbedrijf overgedragen aan Bennie Berndsen. De weduwe Theodora van Raay-Booltink vertrok korte tijd later met haar dochter Riet naar een woonhuis aan de Lindeweg (C 46-V) in Greffelkamp.

Louis van Raaij neemt de smederij van oom Jan over 

Louis van Raaij, de vierde zoon van Toon van Raaij en Anna Maria Egging, hielp al van jongs af aan in de smederij van oom Jan. Het was zijn lust en zijn leven. Aangezien zijn oom geen opvolger had, kreeg Louis de gelegenheid om de smederij over te nemen. Hij trouwde in 1932 met Kaatje Scheerder van de Luynhorststraat. Zij gingen wonen in het, tussen de rijwielzaak van zijn vader en de oude smederij van oom Jan, nieuw gebouwde woonwinkelhuis met smederij (nu: Lieve Vrouweplein 9). Louis en Kaatje kregen drie zonen: Toon (*1933), Eef (*1934) en Jan (*1939). De smederij liep goed en Louis nam enkele knechten in dienst. Eén daarvan was Henk van Dulmen. Kaatje deed - naast het huishoudelijk werk - ook de werkzaamheden in de winkel.

Knecht Henk van Dulmen 

Henk van Dulmen werd geboren in 1915. Hij was een zoon van Martinus (Tinus) van Dulmen en Johanna Hendrina Goossen.

Het gezin woonde op het Mager End op het adres Weemstraat 30 (nu: Hoofdstraat 32). In 1928 overleed zijn moeder plotseling bij de geboorte van een levenloze zoon. Het werd een moeilijk tijd voor vader Tinus. Omstreeks 1931 verhuisde hij met zijn gezin naar een dubbel woonhuis in Greffelkamp. Door de moeilijke omstandigheden thuis, leerde Henk al snel om op eigen benen te staan. Hij was van beroep smid en hij kwam op jonge leeftijd in dienst van Louis van Raaij. Hij voelde zich daar erg thuis. Louis was zo goed over hem te spreken, dat hij in het gezin van Louis van Raaij werd opgenomen. Op dat adres (A 226-I) stond hij in de oorlogsjaren in het bevolkingsregister van Didam als medebewoner ingeschreven.

Mobilisatie en begin van de oorlog 

Op 28 augustus 1939 werd het Nederlandse leger gemobiliseerd. Soldaten van vijftien lichtingen (1924 t/m 1938) zochten toen hun weg naar het inkwartieringsadres. [Lichting 1939 was al onder de wapenen.] Daarvoor werden vijfhonderd extra treinen ingezet. De eerste periode van de mobilisatie werd besteed aan het bouwen van stellingen en het oefenen van de troepen. Dat was nodig omdat de verdedigingsplannen op het laatst waren verschoven van de IJssel naar de Grebbelinie en de artillerie sterk verouderd was. Bovendien liet de geoefendheid van de militairen sterk te wensen over. Ook Louis van Raaij moest zich melden. Hij behoorde tot de lichting 1925-I-30 en was ingedeeld bij het 4e Regiment Artillerie, 2-1-4 RZ, 11e Legerkorps. Zijn vertrek zal grote consequenties hebben gehad voor de werkzaamheden in de smederij; waarschijnlijk zullen ook de andere arbeidskrachten, waaronder Henk van Dulmen, zijn opgeroepen. De familie Van Raaij kreeg van Louis regelmatig een brief of een kaart. Op die manier bleven zij van zijn situatie op de hoogte. Soms kwam hij een korte periode met verlof naar huis. Toen de oorlog op 10 mei 1940 begon, was Louis op de Grebbeberg gelegerd. Het was een spannende tijd voor zijn gezin. Zijn vrouw schreef hem kort na de capitulatie op 15 mei een brief om te vernemen hoe het met hem ging.

Daarop reageerde Louis in een met potlood geschreven brief als volgt: 

''Woensdag. Lieve vrouw en kinder, uw brief ontvangen en gezien dat het jullie allemaal nog goed gaat. Het gaat ons hier ook best. Ik hoor dat we gauw naar huis gaan, misschien van de week nog. We blijven niet hier, we gaan eerst vermoedelijk naar Veenendaal en zwaaien daar af. We zijn hier in Jutfaas, Benedeneindseweg 50, maar we kunnen elken dag vertrekken dus laat ze maar niet komen want dan zijn we misschien weg en kunnen ze mij toch niet vinden. Als het anders is schrijf ik het wel even. We hebben het nu zo rustig dat we het zelf haast niet geloven kunnen want we hebben aardig wat achter de rug. Het is jammer van de kameraden die we dood en gewond achter moesten laten maar daar is toch niets aan te doen en zijn blij dat we er zelf zoo best zijn afgekomen. Het kwam zo onverwacht dat het overgegeven was maar we waren er blij mee want oorlog is verschrikkelijk. Ik had al zoo lang naar een brief uitgezien en was blij wat van jullie te horen. Nu hoop ik dat ik gauw weer bij jullie ben en doe de groeten aan alle bekenden en vrinden en hou je maar goed. Zeg maar tegen de jongens dat ik gauw terug kom. Meer nieuws weet ik niet want het is hier iedere dag hetzelfde. Maar we hebben het leuk nu. Vele groeten en een zoen van je liefh. Louis.''

Tragisch ongeluk op 14 februari 1945 

Na de overgave van Nederland op 15 mei 1940 keerde Louis van Raaij weer spoedig terug naar Didam. De werkzaamheden in de smederij werden weer opgepakt en tot september 1944 was het in Didam vrij rustig. Na de Slag om Arnhem werd het in het dorp steeds drukker door de komst van Duitse soldaten en OT-werkers. Veel evacués moesten huis en haard verlaten omdat zij door de Duitsers gedwongen werden te vertrekken. Ook Didam hing zo’n dreiging boven het hoofd, maar het is er gelukkig niet van gekomen.

In februari 1945 kreeg Zevenaar het bevel om te evacueren. Dit kon op het laatste moment voor de stad Zevenaar worden voorkomen, maar de bewoners van Babberich, Oud-Zevenaar en Ooy moesten op 12 februari vertrekken. Op die dag was Zevenaar in groot gevaar omdat geallieerde vliegtuigen het centrum van Zevenaar bombardeerden. Het granaatvuur in de omgeving van het ziekenhuis was heftig en de kapel werd vol geraakt. Door de toenmalige directeur-geneesheer dr. A.J. Gerver werd besloten om de meeste zieken, die zich reeds geruime tijd in de kelders van het ziekenhuis bevonden, te laten evacueren. Zij vertrokken 14 februari naar Harreveld. De oudjes van de Pelgromstichting gingen nog diezelfde dag naar Silvolde.

Louis van Raaij, Henk van Dulmen en zijn broer Beernd van Dulmen waren op 14 februari met paard en wagen op weg naar Zevenaar om bekenden te helpen bij de evacuatie. Toen ze de klus geklaard hadden gingen ze moe, maar voldaan weer op weg naar Didam. Ter hoogte van het ziekenhuis in Zevenaar sloeg echter het noodlot toe. Door een granaatinslag werden Louis en Henk dodelijk getroffen. Beernd kreeg een granaatsplinter in zijn bovenarm, maar kwam verder met de schrik vrij.

Truus van Raaij-van Vuuren:
“Ik heb van mijn schoonmoeder gehoord dat Louis en Henk die morgen vroeg vertrokken zijn naar Zevenaar om collega smid Cremers in Zevenaar te helpen bij zijn evacuatie. Ze zaten beiden op de bok van de wagen en werden op de terugweg in de buurt van het ziekenhuis door granaatvuur vol getroffen.” 6 Ria Scheerder-van Dulmen: “Mijn vader Beernd van Dulmen was een broer van Henk en hij was die dag meegegaan om bij de evacuatie in Zevenaar te helpen. Ik weet niet wie ze daar geholpen hebben. Mijn vader zat ook op die wagen en hij kreeg een granaatscherf in zijn bovenarm. Dat heeft hij ons in onze jeugd tijdens vakanties verteld. Als hij zijn bovenlichaam ontbloot had, zag je een groot en diep litteken op zijn bovenarm. Als we er dan naar vroegen, begon hij er over te vertellen. Het trieste voorval had diepe indruk op hem gemaakt.”

Getroffen door een noodlottig ongeval te Zevenaar op 14 febr. 1945 Hier is geschied gelijk en recht Hier rust de meester en zijn knecht.De verslagenheid in Didam was groot bij de families Van Raaij en Van Dulmen. Op maandag 19 februari 1945 werd voor Louis en Henk een gezamenlijke uitvaartmis gehouden in de parochiekerk van St. Martinus aan de Kerkstraat. Daarna werden zij beiden naast elkaar begraven op de begraafplaats achter de kerk (nu: Martinus begraafplaats). Er werd later een grafmonument geplaatst waarop heel toepasselijk de navolgende tekst was vermeld:

Voortzetting smederij na de oorlog 

Kaatje van Raaij-Scheerder, de weduwe van Louis, bleef in de koude Oorlogswinter van 1944-1945 met drie jonge kinderen achter. Toon, de oudste zoon, was op dat moment net 12 jaar geworden en nog veel te jong om de smederij van zijn vader over te kunnen nemen. 

Toon van Raaij: “Mijn moeder runde het bedrijf en deed ook de werkzaamheden in de winkel. Chris Wenting uit Kilder was een kennis van mijn vader en moeder en hij was na het overlijden van mijn vader bereid om de leiding in de smederij op zich te nemen." 

Truus van Raaij-van Vuuren: “Het is heel erg als je 38 jaar bent en er dan plotseling met drie kleine kinderen alleen voor komt te staan, vertelde mijn schoonmoeder. Omdat er geld verdiend moest worden, was de smederij na drie dagen al weer open. Chris Wenting uit Kilder kwam als voorman in de smederij helpen. Ik weet niet op welke wijze mijn schoonmoeder hem kende. Zij vertelde me wel dat ze in deze periode veel steun en advies kreeg van de heer Markhorst die tegenover de smederij op het notariskantoor werkte. Ook vertelde ze dat Chris Wenting ’s middags tijdens het eten niet op de stoel van Louis mocht gaan zitten. Dat was op een keer bijna gebeurd en toen had zij Toon snel op die stoel gezet. Het verdriet zat erg diep. Mijn schoonmoeder deed naast het werk in de huishouding ook het werk in de winkel en hield de administratie bij. Zij schreef zelf de rekeningen uit en die werden dan hoofdzakelijk door haar zoon Eef bij de klanten bezorgd.” 

Toen het ongeluk plaatsvond, zat Toon van Raaij in de zesde klas van de St. Ludgerusschool in Didam. Maar door de oorlogssituatie werd er in die periode geen onderwijs gegeven. Een half jaar later begon Toon in de zevende klas bij meester Henk Reumer. 

Om het bedrijf over te kunnen nemen, moest Toon diverse opleidingen volgen. Hij ging in Didam naar de Handelsavondschool om het middenstandsdiploma te halen. Hij slaagde daarvoor in augustus 1950. Daarna volgde Toon met succes de opleiding ‘Kennis van tractoren en tractor- en landbouwwerktuigen’. In 1954 kreeg hij bovendien het rijksdiploma voor hoefsmid. De werkzaamheden in de smederij bestonden in de eerste helft van de vorige eeuw voornamelijk uit het beslaan van paarden, het maken van ijzeren hoepels voor de houten karrenwielen, het maken en repareren van gereedschappen en het plaatsen en repareren van kachels. Door de komst van elektriciteit en gas werden deze werkzaamheden later uitgebreid met de fabricage van onder meer complete landbouwwagens, wagenonderstellen, kooien, hekken, fietskarren en kruiwagens. 

Toon van Raaij: “Na de lagere school ging ik op de fiets naar de ambachtsschool in Arnhem. Ik volgde de opleiding voor machinebankwerker. Ik wilde net als mijn vader smid worden en later de smederij overnemen. Nadat ik het diploma had behaald, ging ik het vak leren bij een smid aan de veemarkt in Doetinchem. Ik kreeg elke dinsdagmorgen een uur vrij om naar de veemarkt te gaan. Ik vond het prachtig om daar rond te lopen. Dat heb ik één tot twee jaar gedaan en vervolgens ben ik thuis in de smederij gaan werken. Ik was toen omstreeks 16 jaar. De eerste jaren werkte ik onder leiding van Chris Wenting. In 1951/1952 ben ik ook nog twee dagen als dienstplichtig soldaat in militaire dienst geweest. Ik heb toen vrijstelling gekregen omdat ik kostwinner was.”

Jan van Raaij, de jongste broer van Toon, leerde ook het smidsvak. Hij kwam in 1955 van school en ging direct thuis in de smederij werken. Jan heeft zijn werkzaamheden altijd in dienst van Toon verricht.

Toon van Raaij krijgt smederij op naam Louis van Raaij was geboren in café ‘Het Wapen van Gelderland’. Het toeval wilde dat zijn zoon Toon daar diens latere echtgenote Truus Gieling leerde kennen. Haar ouders hadden dit horecabedrijf in 1957 overgenomen van uitbater Joop Willemsen. Toon en zijn vrienden legden daar regelmatig een kaartje. Toon en Truus trouwden in 1961. In dat jaar werd het 'smids- en hoefsmidsbedrijf' door Kaatje van Raaij-Scheerder officieel aan Toon overgedragen. De beide panden aan het Lieve Vrouweplein werden in 1960 en 1961 verbouwd. Nummer 8 kreeg een bovenwoning en nummer 9 kreeg een grotere winkelruimte.

Toon en Truus gingen na hun trouwen in het huis van Toon's moeder aan het Lieve Vrouwenplein 9 wonen. Moeder Kaatje van Raaij-Scheerder verhuisde naar de woonruimte op de begane grond van Lieve Vrouweplein 8. (Haar jongste zoon Jan trouwde in 1965 met Truus van Vuuren en zij gingen in de bovenwoning van dat pand wonen.) Toon en Truus kregen drie kinderen, Karin, Mary en Tonnie. Eind jaren zestig, begin jaren zeventig werd de winkelruimte fors uitgebreid en betrokken zij de nieuwe woonruimte op de bovenverdieping. Kaatje van Raaij-Scheerder overleed in 1971. De aard van de werkzaamheden in de smederij veranderde in de loop der jaren. In het laatste deel van de vorige eeuw bestonden die voornamelijk uit staalconstructiewerk voor bouwwerken. De smederij in het centrum van Didam was daarvoor te klein en er waren geen uitbreidingsmogelijkheden. Daarom werd een nieuwe fabriek gebouwd aan de Lichtenhorststraat 27.

Overname bedrijf door Tonnie van Raaij 

Tonnie, de enige zoon van Toon en Truus, volgde aan de Technische Universiteit Delft de opleiding Civiele Techniek. Hij slaagde in 1994 en mocht vervolgens de titel ingenieur (ir) voeren. In 1999 nam hij het bedrijf van zijn vader over. In 2002 werd het nieuwe pand aan de Bieslook 9-13 op het industrieterrein Kollenburg in gebruik genomen. Daarna zijn ook de werkzaamheden in de smederij aan het Lieve Vrouweplein definitief beëindigd. De oude en historische smederij wordt nu omschreven als een staalconstructiebedrijf. De werkzaamheden bestaan onder andere uit de productie van lichte en zware constructies voor hallen- en woningbouw, inclusief montage. Daarnaast worden er trappen, hekwerken en stalen voorwerpen in de ruimste zin van het woord vervaardigd. Zeventig jaar na de bevrijding staat er een prachtig bedrijf met de naam A. van Raaij Staalconstructies B.V. Dat had men kort na 14 februari 1945 niet kunnen vermoeden.

Bronnen 

De Graafschapbode van 20 april 1934 Groot de, Isfridus, Wat de oorlog bracht over Zevenaar 1940-1945 (Zevenaar 1985) Hertog, Frans, Honderd jaar geschiedenis muziekvereniging “Harmonie De Club” (Didam 1994) Nieuw Archief Didam, inv. nrs. 508,509, 513, 518, 524 en 529 t/m 545 Stevens, H., Het Wapen van Gelderland, in: jaarboek 2004 OVD www.archievenwo2.nl

Interviews 

Toon van Raaij, Tonnie van Raaij, Truus van Raaij-van Vuuren, Ria Scheerder-van Dulmen en Tiny Ros-van Dulmen.

Geïnteresseerd?

Neem contact op